Door
Laatste bewerking: november 10, 2014

Introductie Tentoonstellingen

Het begrip tentoonstelling

Plat­form Exhi­bi­ti­ons reikt een werk­wij­ze aan voor het orga­ni­se­ren van ten­toon­stel­lin­gen. Om hier­voor een inhou­de­lijk kader te schep­pen wordt hier stil gestaan bij het begrip ten­toon­stel­ling. In deze para­graaf wordt inge­gaan op het feno­meen zelf. Wat wordt onder een ten­toon­stel­ling ver­staan? Hier­voor zijn ver­schil­len­de defi­ni­ties samen­ge­steld. In zijn the­sis Exhi­bi­ti­ons!1 geeft Hjorth hier een over­zicht van. Over­zien we deze defi­ni­ties dan valt op dat naast ver­wij­zin­gen naar objec­ten twee com­po­nen­ten in de beschrij­vin­gen veel­vul­di­ge voor­ko­men; de vormtechnische/ ruim­te­lij­ke en de com­mu­ni­ca­tie­ve com­po­nent. Bij Lorenc komen deze twee com­po­nen­ten expli­ciet samen. In Exhi­bi­ti­on design beschrijft hij het vak­ge­bied als de dis­ci­pli­ne die zich beweegt in het gebied waar de gebouw­de omge­ving2, ruim­tes, en com­mu­ni­ca­tie bij­een komen.3

Schema: Tentoonstellingen als communicatieve omgevingen (auteur J. Lorenc)

Sche­ma: Ten­toon­stel­lin­gen als com­mu­ni­ca­tie­ve omge­vin­gen (auteur J. Lorenc)

 Vaak ook, met name in de wereld van de stand­bouw en retail, wor­den ten­toon­stel­lin­gen omschre­ven als 3D-Com­mu­ni­ca­tie4. Ook Lord beschrijft in the Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons ten­toon­stel­lin­gen als in essen­tie een com­mu­ni­ca­tief medi­um5.

De com­mu­ni­ca­tie­ve com­po­nent wordt vaak ook geïn­ter­pre­teerd als ver­ha­lend. Aan­slui­tend bij de uit­ge­brei­de defi­ni­tie die eind 80-er jaren voor ten­toon­stel­lings-vorm­ge­ving werd opge­steld in kader van de Frans Hals­prijs6 beschrijft Riet­broek in de uit­ga­ve Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving als “…het vorm­ge­ven van een idee, een con­cept van een ten­toon­stel­ling: een ver­haal met betrek­king tot (kunst)voorwerpen in een ruim­te.”7

Ook Koss­mann en de Jong bena­druk­ken het ver­ha­len­de karak­ter van ten­toon­stel­lin­gen. In hun publi­ca­tie Enga­ging Spa­ces vat­ten zij het begrip krach­tig samen door te spre­ken van nar­ra­ti­ve envi­ron­ments8. Impli­ciet ver­wijst dit naar een direc­te rela­tie tus­sen vorm en inhoud; zoals de samen­stel­lers van de Frans Hals-prijs het uit­druk­ken: “Tekst en uit­leg, maar voor­al ook de taal der din­gen moe­ten samen het con­cept van de ten­toon­stel­ling tot uit­druk­king bren­gen. De rela­tie vorm en inhoud staat daar­bij cen­traal”9

Opval­lend is ook het inter­dis­ci­pli­nai­re karak­ter van het vak­ge­bied dat veel auteurs bena­druk­ken. Lorenc ziet het samen­stel­len van ten­toon­stel­lin­gen als:

An inte­gra­ti­ve pro­cess, brin­ging together in varying degrees: archi­tec­tu­re, inte­ri­or design, envi­ron­men­tal grap­hic design, print grap­hics, elec­tro­nics and digi­tal media, ligh­ting, audio, mecha­ni­cal inter­ac­ti­ves, other design dis­ci­pli­nes”10.

Ook in ver­schil­len­de van de defi­ni­ties waar Hjorth in Exhi­bi­ti­ons! naar ver­wijst komen ver­wij­zin­gen naar deze dis­ci­pli­nes terug. De samen­stel­lers van de Frans Hals prijs stel­len:

Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving laat alle aspec­ten van de vorm­ge­ving aan bod komen, inrichting/ archi­tec­tuur, maar ook de bij­be­ho­ren­de gra­fi­sche vorm­ge­ving moe­ten een en het­zelf­de con­cept uit­dra­gen, een en dezelf­de visie ver­te­gen­woor­di­gen, ver­ge­lijk­baar met de regie van een film of een the­a­ter­stuk”.11

Aan­slui­tend bij boven­staan­de omschrij­vin­gen wordt het begrip ten­toon­stel­ling hier als volgt geïn­ter­pre­teerd:

Een ten­toon­stel­ling is een drie­di­men­si­o­naal com­mu­ni­ca­tie­mid­del waar­bij de rela­tie tus­sen vorm en inhoud cen­traal staat, dat zich richt op gro­te­re publieks­groe­pen en met behulp van een eigen inter­dis­ci­pli­nai­re, voor­al visu­e­le en ruim­te­lij­ke, taal – ten­toon­stel­lings­taal –, infor­ma­tie, idee­ën en gevoe­lens over­draagt en/of uit­wis­selt met betrek­king tot de getui­ge­nis­sen van de mens en zijn omge­ving, met de bewus­te inten­tie ver­an­de­rin­gen te bewerk­stel­li­gen in de ken­nis, opi­nies, de hou­ding en/of het gedrag van de bezoe­ker”

Ten­toon­stel­ling

Onder het begrip ten­toon­stel­ling wor­den hier alle vor­men van ruim­te­lij­ke pre­sen­ta­tie, zowel bin­nen als bui­ten12., ver­staan waar com­mu­ni­ca­tie plaats vind. Dus ook pre­sen­ta­ties die niet direct als een ten­toon­stel­ling erva­ren wor­den, zoals flag-ship sto­res, eta­la­ges en stands op beur­zen. Ook de  opstel­lin­gen die in de dage­lijk­se prak­tijk van het muse­a­le werk vaak aan­ge­duid wor­den als de ‘vas­te of per­ma­nen­te pre­sen­ta­tie’ wor­den hier als een ten­toon­stel­ling opge­vat.

Dat het begrip ten­toon­stel­ling niet altijd het­zelf­de wordt opge­vat is te zien in de wereld van de com­mer­ci­ë­le stand­bouw waar een indi­vi­du­e­le beurs­stand niet als een ten­toon­stel­ling erva­ren wordt, maar het geheel van alle stands. In die bena­de­ring bestaat een ten­toon­stel­ling dan ook uit een geheel van stands over een bepaald onder­werp; bv. auto’s (de RAI), sche­pen (de His­wa) etc. Tech­nisch gespro­ken is een stand wél een (soms zeer klei­ne) ten­toon­stel­ling.

Com­mu­ni­ca­tie

Voor wat betreft het begrip com­mu­ni­ca­tie wordt hier nauw aan­ge­slo­ten bij de defi­ni­tie van Fer­ree. In het Groot prak­tijk­boek voor effec­tie­ve com­mu­ni­ca­tie omschrijft hij com­mu­ni­ca­tie als; “het over­bren­gen van infor­ma­tie en idee­ën met de bewus­te inten­tie om bepaal­de door de zen­der gewens­te ver­an­de­rin­gen te bewerk­stel­li­gen in de ken­nis, opi­nies, de hou­ding en/of het gedrag van de ont­van­ger”13.

Ten­toon­stel­lings­taal

Met het begrip ten­toon­stel­lings­taal wor­den de ten­toon­stel­ling tech­ni­sche metho­den om te com­mu­ni­ce­ren met de voor de ten­toon­stel­ling geko­zen doel­groep bedoeld. Aan­slui­tend bij het inter­dis­ci­pli­nai­re karak­ter van ten­toon­stel­lin­gen dat door veel auteurs wordt genoemd, bestaat deze taal uit een com­bi­na­tie van diver­se tech­nie­ken die geleend zijn uit ande­re dis­ci­pli­nes. Ver­der­op in Plat­form Exhi­bi­ti­ons zal nader op ten­toon­stel­lings­taal in wor­den gegaan.

Getui­ge­nis­sen

Onder getui­ge­nis­sen van de mens en zijn omge­ving wordt hier alles ver­staan dat een pro­duct is van de mens (cul­tuur) en zijn omge­ving (natuur) onge­acht de vorm waar­in het zich mani­fes­teert. In de erf­goed­the­o­rie wordt in dit ver­band ook wel de ter­mi­no­lo­gie van objec­ten of infor­ma­tie­dra­gers gehan­teerd.

Aan­slui­tend bij dit infor­ma­tie­ve, getui­gen­de karak­ter han­te­ren we een bre­de opvat­ting over getui­ge­nis­sen van de mens en zijn omge­ving, name­lijk alle uitin­gen die inhou­de­lij­ke infor­ma­tie over­dra­gen. Ook imma­te­ri­ë­le uitin­gen als dans, ritu­e­len, muziek, foto’s, films en gelui­den val­len hier­on­der. Bin­nen deze bre­de opvat­ting val­len ook objec­ten die niet direct in de con­text van for­meel geor­ga­ni­seer­de ten­toon­stel­ling wor­den getoond. Zo wor­den ook monu­men­ten hier opge­vat als getui­ge­nis van de mens en zijn omge­ving.

Profilering van het medium tentoonstellingen

Een ten­toon­stel­ling  is een com­mu­ni­ca­tie­mid­del met bepaal­de karak­te­ris­tie­ken en is daar­om niet altijd voor iede­re situ­a­tie doel­ma­tig. Om een inschat­ting te kun­nen maken of een ten­toon­stel­ling de juis­te vorm is voor een gesteld doel of uit­gangs­punt wor­den een aan­tal ster­ke en zwak­ke kan­ten naar voren gebracht.

Sterke kanten

Authenticiteit

Het medi­um ten­toon­stel­ling onder­scheidt zich in het bij­zon­der van ander com­mu­ni­ca­tie­me­dia, door­dat het als eni­ge com­mu­ni­ca­tie­me­di­um in staat is ori­gi­ne­le of authen­tie­ke objec­ten te tonen zon­der tus­sen­komst van een inter­me­di­air zoals druk­tech­nie­ken bij een boek of digi­ta­le tech­nie­ken bij foto’s, films of inter­net-toe­pas­sin­gen.14 Men kan de objec­ten – in ana­lo­gie met een film of toneel­stuk – zien als de acteurs van de ten­toon­stel­ling; dat­ge­ne waar het om gaat, zij die de show maken. Door het in con­tact komen met authen­tie­ke voor­wer­pen komt de bezoe­ker in con­tact met het ori­gi­neel, een deel van de wer­ke­lijk­heid. Immers hij of zij komt in aan­ra­king met de direc­te bron, zoals de ech­te Nacht­wacht of Mona Lisa of de ech­te siga­ren­peuk van Chur­chill of de ech­te sche­del van de eer­ste mens­ach­ti­ge of van een dino­sau­rus15. Ook voor com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lin­gen zoals stands geldt dit echt­heids-aspect. Men kan hier ken­nis nemen van de ech­te pro­duc­ten door deze aan te raken, van dicht­bij te bekij­ken en mocht dit wen­se­lijk zijn zelfs te proe­ven of te besnuf­fe­len.

Dat authen­ti­ci­teit een belang­rijk aspect is blijkt wel als de samen­stel­ler van de ten­toon­stel­ling onver­meld replica’s gebruikt. Dit leidt vaak tot teleur­stel­ling bij de bezoe­kers als zij mer­ken dat het getoon­de niet ori­gi­neel is. Blijk­baar ver­wacht de bezoe­ker een ori­gi­neel of authen­tiek object. De vraag is ech­ter wan­neer we objec­ten die in ten­toon­stel­lin­gen getoond wor­den ook wer­ke­lijk als authen­tiek mogen beschou­wen. De objec­ten zijn name­lijk gemu­se­a­li­seerd door erf­goed­in­stel­lin­gen, d.w.z. gese­lec­teerd en uit hun oor­spron­ke­lij­ke of bedoel­de con­text gehaald (pri­mai­re con­text). Het­zelf­de geldt voor pro­duc­ten op stands, hoe­wel dit geen muse­a­li­se­ring wordt genoemd. Ook zijn objec­ten vaak der­ma­te vaak of inten­sief geres­tau­reerd dat van het ori­gi­neel nog wei­nig over is. Dit heeft er toe geleid dat men bin­nen de erf­goed­we­reld eer­der kiest voor con­ser­ve­ren dan res­tau­re­ren. Dat wil zeg­gen dat men het object behoudt in de toe­stand waar­in alle gebruiks­spo­ren nog zicht­baar zijn in plaats van het terug te res­tau­re­ren naar de oor­spron­ke­lij­ke staat. Hier­bij doemt de las­ti­ge vraag op wat dan  die oor­spron­ke­lij­ke staat is. Wel­ke van de ver­schil­len­de sta­dia die een object gedu­ren­de zijn leven heeft door­ge­maakt de oor­spron­ke­lij­ke is. Ver­schil­len­de auteurs (Lowent­hal, Van Mensch, Pine en Gilm­o­re) wij­zen er op dat authen­ti­ci­teit per­cep­tie is, geba­seerd op een aura dat er door auto­ri­tei­ten als bij­voor­beeld een muse­um of een bedrijf omheen gescha­pen is. In de com­mer­ci­ë­le wereld zou­den we dan eer­der spre­ken van een sterk merk of een brand. Daar­bij is authen­ti­ci­teit een rela­tief begrip.

De muse­o­loog Van Mensch plaats in zijn arti­kel De gave en de vloek van het authen­tie­ke authen­ti­ci­teit in een drie­le­di­ge pola­ri­teit, te weten:

  • de ont­staans­ge­schie­de­nis en daar­mee samen­han­gend de inten­tie waar­mee het object is gemaakt;
  • de weten­schap­pe­lij­ke en juri­di­sche sta­tus, waar­on­der het auteur­schap;
  • het mate­ri­ë­le behoud en daar­mee samen­han­gend de hier­bo­ven genoem­de geschie­de­nis van het object en de spo­ren die deze heeft nage­la­ten16

Ove­ri­gens is authen­ti­ci­teits­be­le­ving cul­tuur gebon­den. In bij­voor­beeld Azi­a­ti­sche cul­tu­ren hecht men veel min­der aan het ver­schil tus­sen een authen­tiek voor­werp en een repli­ca daar­van. In deze cul­tu­ren gaat de intrin­sie­ke en ori­gi­na­li­teits­waar­de auto­ma­tisch over op de repli­ca als deze nauw­keu­rig wordt nage­maakt.

Samen­ge­vat kan gesteld wor­den dat in het licht van deze niet een­dui­di­ge bete­ke­nis van authen­ti­ci­teit in rela­tie tot de per­cep­tie van bezoe­kers dat zij in ten­toon­stel­lin­gen met het “echte”/het “oor­spron­ke­lij­ke” gecon­fron­teerd wor­den, de ten­toon­stel­lings­ma­ker de bij­zon­de­re ver­ant­woor­de­lijk­heid heeft aan te geven wel­ke inter­pre­ta­tie in het kader van de ten­toon­stel­ling aan het object wordt gege­ven.

Ruimtelijkheid

Een twee­de en vaak onder­schat aspect waar­in het medi­um ten­toon­stel­ling zich onder­scheidt, is dat het drie­di­men­si­o­naal van karak­ter is. Dit ruim­te­lijk aspect geeft aan de ten­toon­stel­lings­ma­ker een aan­tal unie­ke com­mu­ni­ca­tie­mo­ge­lijk­he­den, met name:

  • de moge­lijk­heid de bezoe­ker fysiek onder te dom­pe­len in een eigen wereld; een wereld die de inhou­de­lij­ke bood­schap op indringende/belevende manier com­mu­ni­ceert en waar de bezoe­ker deze met een ver­hoog­de inten­si­teit, vaak door meer­de­re zin­tui­gen ervaart. Van Mensch spreekt dit ver­band van ten­toon­stel­lin­gen als een: gecom­pri­meer­de wer­ke­lijk­heid van tijd en ruim­te;[nog opzoe­ken]
  • het gemak­ke­lijk leg­gen van drie­di­men­si­o­na­le ver­ban­den tus­sen thema’s. Door het twee­di­men­si­o­na­le karak­ter van de mees­te ande­re media is het leg­gen van meer dan twee ver­ban­den vaak erg las­tig17;
  • het aan­bren­gen van meer­de­re infor­ma­tie­la­gen, zoals bij­voor­beeld een kin­der­lijn.

Autonomie in volgorde en tempo

Veel com­mu­ni­ca­tie­vor­men heb­ben een sequen­ti­eel karak­ter. Dat wil zeg­gen dat de inhou­de­lij­ke samen­hang alleen gevolgd kan wor­den vol­gens de door de samen­stel­ler vast­ge­stel­de volg­or­de. Tijd, ruim­te en plaats zijn in boe­ken, films, the­a­ter­voor­stel­lin­gen etc. voor het publiek geko­zen en doel­be­wust in een bepaal­de volg­or­de geplaatst. Het publiek dient dit ook in die volg­or­de tot zich te nemen. Daar­naast zijn er com­mu­ni­ca­tie­vor­men zoals web­si­tes, kran­ten, games en ook ten­toon­stel­lin­gen, die een meer dwa­lend karak­ter heb­ben. Bin­nen een door de samen­stel­lers van de ten­toon­stel­ling bepaal­de ruim­te­lij­ke struc­tuur kan de bezoe­ker zelf bepa­len wel­ke onder­de­len hij in wel­ke volg­or­de tot zich neemt. Dit heeft een gro­te keu­ze­vrij­heid van de bezoe­ker tot voor­deel, maar maakt het orga­ni­se­ren van een inhou­de­lij­ke samen­hang veel com­plexer, voor­al als con­sis­tent samen­han­gen­de infor­ma­tie moet wor­den over­ge­bracht.

Bij sequen­ti­ë­le media speelt door de opeen­vol­ging van ver­schil­len­de een­he­den tijd en tijds­ver­loop een rol. Het tem­po waar­in de ver­schil­len­de onder­de­len wor­den aan­ge­bo­den wordt door de samen­stel­ler bepaald. In prin­ci­pe mist de kij­ker of bezoe­ker een deel van het ver­haal als deze zich even uit de voor­stel­ling terug trekt en loopt de kans de samen­hang niet meer te kun­nen zien.

Bij ten­toon­stel­lin­gen kan de bezoe­ker niet alleen in een door hem zelf te bepa­len volg­or­de het gebo­de­ne tot zich nemen, hij kan dit ook in eigen tem­po doen. In fei­te con­stru­eert de bezoe­ker zelf een samen­hang uit de in de ten­toon­stel­ling gebo­den inhou­den.

Multi mediaal

Karak­te­ris­tiek voor ten­toon­stel­lin­gen is de mix van ver­schil­len­de media die de inhou­de­lij­ke samen­hang dra­gen.  Hoe­wel dat in min­de­re mate ook voor the­a­ter­voor­stel­lin­gen geldt, zijn er geen ande­re media die een der­ge­lijk flexi­bel mul­ti­me­di­aal karak­ter heb­ben. In com­bi­na­tie met de eer­der genoem­de ruim­te­lijk­heid van een ten­toon­stel­ling kun­nen ein­de­loos com­bi­na­ties wor­den gemaakt van vor­men. Hier­bij valt te den­ken aan com­bi­na­ties van beeld, tekst, audio­vi­su­e­le programma’s, geur, geluid, licht, een­vou­di­ge tot zeer gea­van­ceer­de hands‑, body– en mind-on inter­ac­tie­ve dis­plays. The­a­ter­voor­stel­lin­gen, oral his­to­ry acteurs en ande­re the­a­tra­le vor­men kun­nen zelfs onder­deel zijn van een ten­toon­stel­ling.

Mediamix

Een ten­toon­stel­ling staat zel­den op zich­zelf maar maakt vaak deel uit van een reeks aan com­mu­ni­ca­tie mid­de­len om in con­tact te tre­den met ver­schil­len­de publieks­seg­men­ten. Zo wor­den er ver­bon­den aan de ten­toon­stel­ling vaak een aan­tal extra acti­vi­tei­ten of pro­duc­ten ont­wik­keld die gericht zijn op spe­ci­fie­ke doel­groe­pen. Voor­beel­den hier­van zijn edu­ca­tie­ve programma’s, cata­lo­gi, lezin­gen, rond­lei­din­gen, inter­net­toe­pas­sin­gen en met audio– en smartpho­ne gege­neer­de infor­ma­tie.

Zwakke kanten

Kennisoverdracht

Het medi­um ten­toon­stel­ling leent zich min­der goed voor het over­dra­gen van direc­te inhou­de­lijk infor­ma­tie. In de prak­tijk blijkt dat van alles dat over een onder­werp te ver­tel­len is over het alge­meen alleen een rela­tief beperk­te hoe­veel­heid infor­ma­tie aan de orde kan komen in de ten­toon­stel­ling. Uiter­aard moet dit dan wel de essen­tie van het onder­werp zijn. In deze inhou­de­lij­ke zin heeft het medi­um dan ook een meer jour­na­lis­tiek karak­ter. Infor­ma­tie die die­per op het onder­werp ingaat is vaak gemak­ke­lij­ker aan de orde te stel­len door bij­voor­beeld een boek of een docu­men­tai­re. Bij veel ten­toon­stel­lin­gen wordt deze infor­ma­tie dan ook aan­ge­bo­den door mid­del van aan de ten­toon­stel­ling gekop­pel­de media zoals een cata­lo­gus, een samen­vat­ten­de bro­chu­re of een op DVD ver­krijg­ba­re docu­men­tai­re. Ook media als een rond­lei­ding, web­si­te of lezing kun­nen de gebo­den infor­ma­tie in de ten­toon­stel­ling ver­die­pen. In onder­staand sche­ma is de rela­tie tus­sen de beschik­ba­re en over te dra­gen infor­ma­tie mid­dels het medi­um ten­toon­stel­len aan­ge­ge­ven.

Schema: Relatie beschikbare en over te dragen informatie (auteur Han Meeter)

Sche­ma: Rela­tie beschik­ba­re en over te dra­gen infor­ma­tie (auteur Han Mee­ter)

Daar­mee is niet gezegd dat een ten­toon­stel­ling inhou­de­lijk opper­vlak­kig zou zijn. Het boven­staan­de ver­wijst eer­der naar het gege­ven dat niet alle infor­ma­tie die door (weten­schap­pe­lijk) onder­zoek beschik­baar is geko­men vol­le­dig in de ten­toon­stel­ling kan wor­den opge­no­men. Het medi­um ten­toon­stel­len leent zich in die zin min­der voor cog­ni­tie­ve doe­len waar­bij de com­mu­ni­ca­tie voor­al is gericht is op het over­dra­gen van inhou­de­lij­ke gege­vens en aspec­ten van een onder­werp.

Waar een ten­toon­stel­ling zich als medi­um over het alge­meen beter voor leent, zijn affec­tie­ve doe­len. Door de bezoe­ker in een indrin­gen­de drie­di­men­si­o­na­le werel­den onder te dom­pe­len en door mid­del van inter­ac­tie­ve media soms haast lij­fe­lijk infor­ma­tie te laten erva­ren, waar­bij hij/zij zelf de rou­te en tem­po kan bepa­len, is het medi­um zeer geschikt om men­sen nieuws­gie­rig te maken, bewust te maken, te ver­ba­zen, te inspi­re­ren of anders­zins emo­ti­o­neel aan te spre­ken.

Bij gebruik­ma­king van een mix aan media lenen ten­toon­stel­lin­gen zich dan ook goed om als ingang tot een onder­werp te die­nen. De ten­toon­stel­ling zorgt daar­bij voor het emo­ti­o­neel betrok­ken raken bij het onder­werp, waar­bij alleen op hoofd­lij­nen inhou­de­lij­ke infor­ma­tie wordt over­ge­dra­gen, ter­wijl opvol­gend aan­ge­bo­den media zoals publi­ca­ties, web­si­tes, en zo meer ver­die­pen­de infor­ma­tie aan­bie­den, die in alle rust, vaak in pri­vé situ­a­ties, ver­werkt kun­nen wor­den. Ook Bar­ry Lord wijst er op dat ten­toon­stel­lin­gen eer­der affec­tief van karak­ter zijn dan cog­ni­tief en dat zij juist door dit affec­tie­ve karak­ter aan­zet­ten tot ver­de­re ver­die­ping in een onder­werp mid­dels ande­re media. Ten­toon­stel­lin­gen heb­ben naar zijn mening dan ook tot doel:

… to trans­form some aspect of the visi­tors inte­rest, atti­tu­des or valu­es affec­ti­ve­ly, due to the visitor’s dis­co­ve­ry of some level of mea­ning in the objects on dis­play – a dis­co­ve­ry that is sti­mu­la­ted and sustai­ned by the visitor’s con­fi­den­ce in the per­cei­ved authen­ti­ci­ty of tho­se objects.”18

Statisch-dynamisch

Het woord ten-toon-stel­len zegt het al; het gaat hier om zaken die opge­steld staan om getoond te wor­den. Een der­ge­lij­ke opstel­ling ver­on­der­stelt een sta­tisch karak­ter en veel, voor­al tra­di­ti­o­ne­le ten­toon­stel­lin­gen, zijn ook zo opge­zet. De bezoe­ker loopt door een ruim­te waar­in al of niet vol­gens een bepaal­de struc­tuur objec­ten aan de muur han­gen en in de ruim­te zijn geplaatst moge­lijk in vitri­nes. Een kor­te tekst licht het object toe. Com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lings-omge­vin­gen zoals stands en eta­la­ges heb­ben vaak ook een der­ge­lij­ke sta­tisch karak­ter. Voor­al musea heb­ben door deze sta­ti­sche opstel­lin­gen een saai ima­go gekre­gen. Ove­ri­gens kan een der­ge­lij­ke opstel­ling een pri­ma vorm zijn als de ten­toon­stel­ling alleen het tonen van de objec­ten als voor­naams­te doel heeft. Vaak gaat het hier­bij dan om het bena­druk­ken van de esthe­ti­sche kwa­li­teit van de objec­ten.

Het op klas­sie­ke wij­ze tonen van objec­ten heeft inhou­de­lij­ke en ten­toon­stel­lings­tech­ni­sche beper­kin­gen. Zo is het bij­voor­beeld in een ten­toon­stel­ling over klom­pen gemak­ke­lij­ker om te laten zien wat voor typen klom­pen er zijn en wat voor gereed­schap er is om deze te maken, dan om de uit­ein­de­lij­ke han­de­lin­gen te laten zien hoe de klom­pen met het getoon­de gereed­schap daad­wer­ke­lijk wor­den gemaakt. Alge­meen gezegd, neigt het medi­um door de objec­ten naar een sta­tisch geheel en moet de dyna­miek, in het voor­beeld het maak­pro­ces daar­aan toe­ge­voegd wor­den; de con­text van de objec­ten. Ter ver­ge­lij­king: Films heb­ben in fei­te het omge­keer­de pro­bleem. Hier is een han­de­ling beter te laten zien dan sta­ti­sche zaken zoals schil­de­rij­en. In his­to­ri­sche docu­men­tai­res ziet men dan ook vaak dat er in– en uit­ge­zoomd wordt over his­to­risch mate­ri­aal als schil­de­rij­en, vaak onder­steund door pas­sen­de gelui­den, om toch een fil­misch effect te berei­ken. In deze zin kan men de media ten­toon­stel­lin­gen en films dan ook als com­ple­men­tair zien.

Met de opkomst van betaal­ba­re dra­gers van film­beel­den — met name van video­re­cor­ders in de 1980er jaren — is het dyna­misch karak­ter van ten­toon­stel­lin­gen toe­ge­no­men. Door de rela­tief recent beschik­baar geko­men pro­jec­tie­mo­ge­lijk­he­den door hoge kwa­li­teit bea­mers zijn ten­toon­stellingen tegen­woor­dig soms com­ple­te shows met muur­vul­len­de pro­jec­ties van bewe­gen­de beel­den en licht gewor­den.

In som­mi­ge geval­len is de ten­toon­stel­ling in let­ter­lij­ke zin dyna­misch. Een voor­beeld is de attrac­tie over de Bok­ken­rij­ders in de Efte­ling (Vil­la Vol­ta) waar de bezoe­kers door een kamer wor­den bewo­gen of in het Spoor­weg­mu­se­um in Utrecht waar de bezoe­ker in Wereld 3 in kar­re­tjes plaats neemt en langs, onder en rond­om twee inge­met­sel­de loco­mo­tie­ven wordt geleid.

Dit soort high­tech ten­toon­stel­lin­gen vor­men ech­ter nog steeds uit­zon­de­rin­gen en komen voor­al voor in omge­vin­gen als sci­en­ce cen­tra en attrac­tie­par­ken. Mede door de hoge kos­ten en de rela­tief kor­te houd­baar­heids­da­tum van een der­ge­lij­ke attrac­tie wor­den deze tech­nie­ken in erf­goed– en com­mer­ci­ë­le omge­vin­gen als stands niet zo vaak toe­ge­past. Risi­co bij het inzet­ten van deze tech­nie­ken is dat van­uit inhou­de­lij­ke en/of ten­toon­stel­lings­tech­ni­sche over­we­gin­gen het soms de vraag is of het wel even zin­vol is om een der­ge­lij­ke tech­niek toe te pas­sen en het niet voor­al gaat om het laten zien wat tech­nisch moge­lijk is of puur om ono­ver­wo­gen ver­nieu­wings­drang.

Het ligt voor de hand wel­over­wo­gen gebruik te maken van oude en nieu­we media naast elkaar, afhan­ke­lijk van de doel­stel­lin­gen die men voor ogen heeft. Er zijn geen taboes voor het gebruik van wel­ke tech­nie­ken dan ook en elke nieu­we tech­niek wordt als poten­ti­eel bruik­baar ver­wel­komt. Als een tech­niek, ont­wik­kelt voor gebruik in attrac­tie­par­ken, bin­nen een erf­goed-con­text het meest doel­tref­fend is, dan ligt het voor de hand deze ook te gebrui­ken. Aan de ande­re kant geldt dit ook voor een saaie schat­ka­mer-opstel­ling. Als deze vorm de doel­groep en doel­stel­ling het bes­te die­nen, dan wordt dat hier gezien als de meest opti­ma­le aan­pak. Kort­om elke ten­toon­stel­lings­vorm is moge­lijk als de  doel­groep– en doel­stel­lings­over­we­gin­gen maar lei­dend zijn bij de keu­ze voor toe te pas­sen media en tech­nie­ken en niet de tech­niek zelf.

De routing

Hier­bo­ven, in de para­graaf Auto­no­mie in volg­or­de en tem­po, is aan­ge­ge­ven dat ten­toon­stel­lin­gen het voor­deel heb­ben dat de bezoe­ker bin­nen een door de samen­stel­lers van de ten­toon­stel­ling bepaal­de ruim­te­lij­ke struc­tuur zelf kan bepa­len wel­ke onder­de­len hij in wel­ke volg­or­de tot zich neemt. Afhan­ke­lijk van het doel van de ten­toon­stel­ling en de geko­zen struc­tuur kan het soms han­dig zijn een bepaal­de loop­rou­te in een ten­toon­stel­ling aan te bren­gen. Met name als een con­sis­tent samen­han­gend ver­haal moet wor­den over­ge­bracht, kan een te gro­te vrij­heid van bewe­ging van de bezoe­ker pro­ble­men oproe­pen.

Vaak pro­be­ren samen­stel­lers van ten­toon­stel­lin­gen met ruim­te­lij­ke mid­de­len het aan­hou­den van een bepaal­de volg­or­de, ook wel rou­ting genaamd, af te dwin­gen. Zo een­vou­dig en van­zelf­spre­kend als dit in media als een boek of een film is, zo gecom­pli­ceerd is dit bij een ten­toon­stel­ling. Voor het afdwin­gen van een loop­rou­te wor­den over het alge­meen ruim­te­lij­ke mid­de­len inge­zet. Dat kun­nen schot­ten zijn die in een bepaal­de rich­ting staan, pij­len, bre­de ingan­gen ver­sus smal­le uit­gan­gen, het op een bepaal­de volg­or­de hangen/plaatsen van objec­ten, gang-ach­ti­ge opstel­lin­gen, enzo­voorts. Vaak blij­ken deze maat­re­ge­len beperkt effec­tief. Vast­ge­steld kan wor­den dat het zeker niet onmo­ge­lijk is om een dwin­gen­de rou­te op te leg­gen in een ten­toon­stel­ling, maar dat het niet gemak­ke­lijk is en vaak door de natuur­lij­ke drang van de bezoe­ker om zijn eigen weg te zoe­ken maar ten dele rea­li­seer­baar.

Van­uit deze erva­rin­gen wordt dan ook gead­vi­seerd een ten­toon­stel­ling zo wei­nig moge­lijk te rou­ten in line­ai­re zin. Belang­rij­ker is de ten­toon­stel­ling een hel­de­re struc­tuur te geven; bij­voor­beeld inge­deeld in dui­de­lijk her­ken­ba­re ruim­ten die ook inhou­de­lijk een een­heid vor­men; bv. een hoofd­the­ma. Bin­nen deze ruim­te kan men dan dwa­len tus­sen dui­de­lijk her­ken­ba­re ten­toon­stel­ling tech­ni­sche een­he­den (pre­sen­ta­ties) die ieder op zich weer een inhou­de­lij­ke een­heid zijn en een deel tonen/vertellen (sub the­ma) van het ver­haal dat bin­nen deze ruim­te als geheel aan de orde is.

Het aan­bren­gen van een dwin­gen­de rou­ting op basis van deze ruim­te­lij­ke struc­tuur is aan­zien­lijk gemak­ke­lijk en hand­haaft het voor­deel dat de bezoe­ker zelf zijn volg­or­de kan bepa­len. Bij vlek­ken­plan­nen zal op het inhou­de­lijk en ruim­te­lijk struc­tu­ren van ten­toon­stel­lin­gen als­me­de op het maken van een rou­ting meer en detail terug geko­men wor­den.

Bereik en toegankelijkheid

Ver­ge­le­ken met media zoals boe­ken en films die men ook thuis kan gebrui­ken, zijn ten­toon­stel­lin­gen min­der toe­gan­ke­lijk. Niet alleen zijn deze loca­tie­ge­bon­den ook is men gebon­den aan ope­nings­tij­den en meest­al aan, soms for­se, toe­gangs­prij­zen. Ook heb­ben veel ten­toon­stel­lin­gen slechts een beperk­te loop­tijd; meest­al niet lan­ger dan een aan­tal maan­den.

Voor min­der vali­den levert het bezoe­ken van ten­toon­stel­lin­gen vaak extra pro­ble­men op. Niet alle instel­lin­gen of ten­toon­stel­lings­ruim­ten zijn toe­gan­ke­lijk voor inva­li­den als gevolg van het feit dat veel cul­tu­re­le instel­lin­gen zijn onder­ge­bracht in his­to­ri­sche pan­den met vaak smal­le trap­pen­hui­zen. Ook zijn er ergo­no­mi­sche pro­ble­men om met name rol­stoel­ge­brui­kers goed zicht op de ten­toon­stel­ling te geven. Bij het onder­werp ergo­no­mie zal hier die­per op wor­den inge­gaan.

Het juiste medium

Op basis van deze ana­ly­se van ster­ke en zwak­ke kan­ten van ten­toon­stel­lin­gen kan vast­ge­steld wor­den dat het medi­um ten­toon­stel­ling zich niet leent voor alle com­mu­ni­ca­tie­ve doel­ein­den. Het is van belang om zich bij de keu­ze om een ten­toon­stel­ling in te zet­ten af te vra­gen of de com­mu­ni­ca­tie­ve doel­stel­lin­gen en/of het onder­werp zich hier vol­doen­de voor lenen. Zoals in dit hoofd­stuk is aan­ge­ge­ven, lenen ten­toon­stel­lin­gen zich voor­al voor het berei­ken van affec­tie­ve doe­len en het tonen van authen­tie­ke objec­ten. Ook lenen zij zich voor onder­wer­pen waar­bij gebruik gemaakt kan wor­den van de ruim­te­lij­ke kracht van het medi­um om bezoe­kers fysiek te betrek­ken in een eigen wereld. Een abstract onder­werp als de idee­ën van de filo­soof Spi­no­za is min­der geschikt en zal beter over­ge­bracht kun­nen wor­den door mid­del van een boek, ter­wijl zijn leven als len­zen-slij­per in Rijns­burg door het erf­goed dat hier van is over­ge­ble­ven zich mak­ke­lij­ker laat bewer­ken tot een ten­toon­stel­ling. Ook het tonen van han­de­lin­gen leent zich over het alge­meen meer voor een fil­mi­sche bena­de­ring. Hier­mee is niet gezegd dat abstrac­te of op han­de­lin­gen gerich­te onder­wer­pen niet door en ten­toon­stel­ling zou­den kun­nen wor­den over­ge­bracht. Hier wordt alleen bedoeld dat het medi­um ten­toon­stel­ling zich daar min­der voor leent.

Voor wat betreft com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lin­gen dient in dit ver­band opge­merkt te wor­den dat door public-rela­ti­ons afde­lin­gen vaak haast auto­ma­ti­sche voor beurs­deel­na­me geko­zen, zon­der de vraag te stel­len of een beurs­stand gezien de mar­ke­ting­doel­stel­lin­gen wel het juis­te medi­um is. Er is een breed pal­let aan media voor het bedrijfs­le­ven beschik­baar om hun doel­groe­pen te berei­ken. Van com­mu­ni­ca­tie­plan tot com­mu­ni­ca­tie­plan moet beke­ken wor­den wel­ke media het meest geschikt zijn om de mar­ke­ting­doel­stel­lin­gen te berei­ken. Ook hier wordt vaak gebruik gemaakt van een medi­a­mix met een selec­tie van elkaar aan­vul­len­de media; bij­voor­beeld een radio– en/of tele­vi­sie­spot in com­bi­na­tie met een bill­board­cam­pag­ne en/of direct mar­ke­ting.

Typen tentoonstellingen

Er zijn ver­schil­len­de inde­lin­gen gemaakt van het feno­meen ten­toon­stel­lin­gen. Zoals hier­bo­ven aan­ge­ge­ven wordt het begrip ten­toon­stel­lin­gen hier breed geïn­ter­pre­teerd als alle vor­men van ruim­te­lij­ke pre­sen­ta­tie waar com­mu­ni­ca­tie plaats vind. Van­uit deze inter­pre­ta­tie val­len ook pre­sen­ta­ties die niet direct als een ten­toon­stel­ling erva­ren wor­den, zoals flag-ship sto­res, eta­la­ges en stands hier­on­der. Hier is een over­zicht van de band­breed­te van het vak­ge­bied opge­no­men.

Schema: Bandbreedte vakgebied (auteur Han Meeter)

Sche­ma: Band­breed­te vak­ge­bied (auteur Han Mee­ter)

Dit over­zicht defi­ni­eert deze band­breed­te als van markt­plaat­sen in het oude Rome tot Flag-ship sto­res zoals die van Apple en T‑mobile tegen­woor­dig. Van­uit deze visie beho­ren tot ten­toon­stel­lin­gen beurs­stands zoals die van het auto­merk Jagu­ar, attrac­tie­par­ken als Dis­ney­land, wereld­ten­toon­stel­lin­gen als die van Han­no­ver in 2000 (Neder­lands Pavil­joen), sci­en­ce cen­tra zoals bij­voor­beeld La Vilet­te in Parijs, bezoe­kers­cen­tra, zoals het mili­eu-edu­ca­tie­ve cen­trum De Hoep in Cas­tri­cum en his­to­ri­sche bezoe­kers­cen­tra zoals die bij het Nati­o­naal Monu­ment op de Greb­be­berg en tot slot musea zoals bij­voor­beeld het Muse­um Het Valk­hof te Nij­me­gen. Dit over­zicht is ove­ri­gens niet com­pleet. Ook inge­rich­te eta­la­ges, die­ren­tui­nen en gale­rie­ën zou­den ze tot het vak­ge­bied gere­kend kun­nen wor­den.

Commerciële en culturele tentoonstellingen

Een veel gebruikt onder­scheid in ten­toon­stel­lin­gen is dat tus­sen com­mer­ci­ë­le en cul­tu­re­le ten­toon­stel­lin­gen. Tot de com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lin­gen wor­den alle ten­toon­stel­lin­gen gere­kend die ver­bon­den zijn met het bedrijfs­le­ven en/of com­mer­ci­ë­le doel­stel­lin­gen heb­ben. Het gaat hier voor­al om flag-ship sto­res, stands19, attra­cie par­ken etc.; de typen ten­toon­stel­lin­gen die in illu­stra­tie 3 aan de lin­ker­zij­de zijn geplaatst. Cul­tu­re­le ten­toon­stel­lin­gen zijn gericht op ide­ë­le doel­stel­lin­gen, in het bij­zon­der op edu­ca­tie en cul­tuur­be­houd en zijn in de illu­stra­tie over typen ten­toon­stel­lin­gen aan de rech­ter­zij­de weer­ge­ge­ven. Het gaat hier om ten­toon­stel­lin­gen in erf­goed­in­stel­lin­gen, zoals musea, archie­ven, die­ren­tui­nen, monu­men­ten en bibli­o­the­ken, in sci­en­ce cen­tra en in mili­eu-edu­ca­tie­ve en his­to­ri­sche bezoe­kers­cen­tra20.

Ove­ri­gens zijn er ook tus­sen­vor­men zoals bedrijfs­mu­sea. Deze zijn wel­is­waar ver­bon­den aan een bedrijf, maar heb­ben geen direc­te com­mer­ci­ë­le doel­stel­lin­gen, maar meer ide­ë­le, vaak gericht op het behou­den en het cre­ë­ren van een bedrijfs­cul­tuur; com­pa­ny pri­de. Dit soort musea wor­den regel­ma­tig inge­zet voor de mar­ke­ting van het bedrijf.

Hoe­wel het hier tech­nisch gespro­ken in fei­te alle­maal om ten­toon­stel­lin­gen gaat, is het ver­schil tus­sen de wereld van de com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lin­gen en die van de cul­tu­re­le ten­toon­stel­lin­gen groot en heeft zelfs de nei­ging elkaar uit te slui­ten. Alleen op het vlak van de ont­wer­pers en ten­toon­stel­lings­bouw­be­drij­ven komt het voor dat men zowel opdrach­ten voor com­mer­ci­ë­le ten­toon­stel­lin­gen als cul­tu­re­le aan­neemt. Ech­ter, ook hier is er spra­ke van spe­ci­a­li­se­ring en zijn ont­werp­bu­reaus of in com­mer­ci­ë­le of in cul­tu­re­le ten­toon­stel­lin­gen gespe­ci­a­li­seerd.

Museale tentoonstellingen

In het arti­kel Charac­te­ris­tics of exhi­bi­ti­ons21 maakt Van Mensch van­uit een muse­o­lo­gisch stand­punt een aan­zet tot een the­o­re­ti­sche kader voor een ana­ly­ti­sche bena­de­ring van muse­a­le ten­toon­stel­lin­gen. Hij baseert zijn ana­ly­se op een onder­scheid tus­sen drie aspec­ten van de fysie­ke iden­ti­teit van ten­toon­stel­lin­gen te weten: struc­tuur, stijl en tech­niek.

Onder deze begrip­pen ver­staat hij het vol­gen­de:

Structuur

Dit ver­wijst naar de manier waar­op de ten­toon­stel­ling inhou­de­lijk is georganiseerd/ de bena­de­rings­wij­ze die in muse­a­le ten­toon­stel­lin­gen gebruikt wor­den en de rol van die de objec­ten daar in heb­ben als infor­ma­tie­dra­gers. Van Mensch stelt voor om een onder­scheid te maken tus­sen de vol­gen­de vier typen struc­tuur:

  • Sub­jec­tie­ve struc­tuur: Het betreft hier ten­toon­stel­lin­gen die door de ver­za­me­laar zelf zijn samen gesteld. Van Mensch ver­wijst in dit ver­band voor­al naar aller­eer­ste musea — kunst­kam­mers en won­der­ka­mers - die geba­seerd waren op een her­me­tisch en meta­fo­risch wereld­beeld. Hier­in ver­te­gen­woor­dig­de ieder object een gro­te­re meer uni­ver­se­le bete­ke­nis en vorm­de een col­lec­tie als geheel een geco­deer­de geheel was van occul­te ken­nis. Het was alleen de ver­za­me­laar die in deze wereld van geco­deer­de ken­nis kon bin­nen drin­gen.
  • Sys­te­ma­ti­sche struc­tuur: Bij dit type struc­tuur gaat om ten­toon­stel­lin­gen met een line­ai­re opbouw langs weten­schap­pe­lij­ke, vaak taxo­no­mi­sche, typo­lo­gi­sche of chro­no­lo­gi­sche lij­nen. De objec­ten staan bin­nen deze struc­tuur op zich zelf opge­steld; geï­so­leerd van hun soci­a­le con­text. Veel­al heb­ben dit soort opstel­lin­gen een deter­mi­nis­ti­sche en/of op het voor­uit­gangs­idee gericht karak­ter, waar geen ruim­te is voor twij­fel of ande­re visies. Van­af het begin van de 19e eeuw tot de 1950er jaren hou­den veel musea deze strak­ke weten­schaps­ge­rich­te struc­tuur als basis voor hun opstel­lin­gen.
  • Nar­ra­tie­ve struc­tuur: Deze struc­tuur komt op met de toe­na­me van de edu­ca­tie­ve func­tie van de musea in de loop van de 20e eeuw en met name na de 1970er jaren. In plaats van de objec­ten staat meer het ver­haal ach­ter de objec­ten cen­traal bij de samen­stel­lers van de ten­toon­stel­ling. Vol­gens Van Mensch ligt een sto­ry­li­ne aan de basis van ten­toon­stel­lin­gen met dit type struc­tuur en zorgt er voor dat dit type ten­toon­stel­lin­gen een sterk line­air karak­ter heb­ben.
  • Eco­lo­gi­sche struc­tuur: Bij dit type staat, aldus Van Mensch, niet de line­ai­re opbouw die een sto­ry­li­ne volgt cen­traal, maar simul­ta­ne­ï­teit. Naast elkaar, door de bezoe­ker naar eigen wens en op eigen volg­or­de te bekij­ken wor­den ver­schil­len­de pre­sen­ta­ties gelijk­tij­dig aan­ge­bo­den. Een rou­ting ont­breekt. De bezoe­ker dwaalt door de ten­toon­stel­ling.
Stijl

Onder stijl ver­staat Van Mensch de alge­me­ne sfeer van waar­in het com­mu­ni­ca­tie pro­ces plaats vindt. Hij onder­scheidt drie ten­toon­stel­lings­stij­len: esthe­tisch, evo­ca­tief en didac­tisch.

Techniek

De Tech­niek refe­reert aldus Van Mensch aan de prak­ti­sche tech­niek van de infor­ma­tie­over­dracht. In navol­ging van Roger Miles benoemt hij de vol­gen­de tech­nie­ken:

  • Sta­ti­sche: Exhi­bits die niet ver­an­de­ren;
  • Dyna­mi­sche: Exhi­bits die van staat kun­nen ver­an­de­ren zoals films of exhi­bits die door een bezoe­ker aan­ge­zet kun­nen wor­den; en
  • Inter­ac­tie­ve: Exhi­bits die een soort dia­loog met de bezoe­ker aan gaan.

Van Permanent tot reizend

Een ande­re inde­ling die veel gebruikt wordt om ten­toon­stel­lin­gen te type­ren is op basis van de duur en vorm van een ten­toon­stel­ling. Hier­in zijn de belang­rijk­ste typen:

  • Per­ma­nen­te ten­toon­stel­lin­gen;
  • Semi­per­ma­nen­te ten­toon­stel­lin­gen;
  • Tij­de­lij­ke of wis­se­len­de ten­toon­stel­lin­gen;
  • Rei­zen­de ten­toon­stel­lin­gen.

Permanente tentoonstellingen

De mees­te musea, zeker de meer tra­di­ti­o­ne­le, ken­nen een per­ma­nen­te ten­toon­stel­ling ook wel vas­te opstel­ling genoemd. Hier wordt, als we uit­gaan van de col­lec­tie, bij kunst(-historische) musea de kern­col­lec­tie getoond. Meer ver­haal gerich­te musea, door­gaans his­to­ri­sche, natuur­his­to­ri­sche, vol­ken­kun­di­ge en tech­ni­sche musea tonen hier hun kern­ver­haal; bij­voor­beeld de geschie­de­nis van de stad bij een stads­mu­se­um of van een regio bij een regi­o­naal muse­um.

Tot het ein­de van de 20e eeuw had­den deze per­ma­nen­te ten­toon­stel­lin­gen wer­ke­lijk een per­ma­nent karak­ter. Decen­nia lang en, zoals bij Tey­lers­mu­se­um in Haar­lem, zelfs eeu­wen lang ble­ven deze ten­toon­stel­lin­gen staan met slechts gerin­ge wij­zi­gin­gen of aanvullin­gen. Van­af de jaren 90 van de vori­ge eeuw neemt de loop­tijd steeds ver­der af. Steeds vaker wil­len musea zich ver­nieu­wen om hun bezoe­kers te kun­nen blij­ven boei­en.

Een ande­re reden waar­door ten­toon­stel­lin­gen een steeds kor­te­re loop­tijd heb­ben is de zich steeds snel­ler ont­wik­ke­len­de tech­nie­ken. Op audio­vi­su­eel en digi­taal gebied, maar ook op het ter­rein van design en het toe­pas­sen van publieks­ge­rich­te com­mu­ni­ca­tie­tech­nie­ken ver­ou­de­ren de toe­pas­sin­gen erg snel. Hier­door ogen de ten­toon­stel­lin­gen steeds snel­ler ver­ou­derd en besluit men deze te ver­van­gen.

Ondanks de bezui­ni­gings­gol­ven in de afge­lo­pen decen­nia, zijn er steeds meer finan­ci­ën beschik­baar voor her­in­rich­tin­gen of her­bouw van musea. Tegen­woor­dig is de loop­tijd van een per­ma­nen­te ten­toon­stel­ling terug­ge­lo­pen tot 10 à 15 jaar, waar­bij de trend is naar een ver­de­re ver­kor­ting van de levens­duur.

In het licht van deze ont­wik­ke­lin­gen is er een toe­ne­men­de belang­stel­ling voor rene­wa­b­i­li­ty en, in samen­hang daar­mee, sustai­na­bi­li­ty. Richt sustai­na­bi­li­ty zich op mili­eu­ge­rich­te duur­zaam­heid, bij rene­wa­b­i­li­ty gaat het om het ont­wik­ke­len van tech­nie­ken om onder­de­len van ten­toon­stel­lin­gen snel en goed­koop inhou­de­lijk en/of pre­sen­ta­tie-tech­nisch te kun­nen aan­pas­sen om ze publieks-tech­nisch beter te laten func­ti­o­ne­ren dan wel aan te pas­sen aan nieu­we inhou­de­lij­ke inzich­ten.

Semipermanente tentoonstellingen

Onder invloed van de toe­na­me van een publieks­ge­rich­te werk­wij­ze aan het ein­de van 20e eeuw zijn een aan­tal musea er toe over gegaan hun per­ma­nen­te pre­sen­ta­tie af te schaf­fen en deze te ver­van­gen door een aan­tal semi­per­ma­nen­te ten­toon­stel­lin­gen. Dit zijn ten­toon­stel­lin­gen die ca. 3 jaar staan en dan ver­van­gen wor­den. Door elk jaar één van de semi­per­ma­nen­te te wis­se­len kan het muse­um zich steeds weer ver­nieu­wen en bezoe­kers sti­mu­le­ren het muse­um te bezoe­ken. Ook inhou­de­lijk zijn er over­we­gin­gen om tot een der­ge­lijk beleid over te gaan. In een per­ma­nen­te ten­toon­stel­ling kan het the­ma van het muse­um maar een­ma­lig en vaak enkel­vou­dig aan de orde wor­den gesteld, waar­bij door ruim­te­lij­ke beper­kin­gen het the­ma vaak alleen op hoofd­lij­nen kan wor­den behan­deld. Door te wer­ken met semi­per­ma­nen­te ten­toon­stel­lin­gen die een ieder een sub the­ma behan­de­len kan het onder­werp van het muse­um niet alleen diep­gaan­der behan­deld wor­den, maar zich ook aan­pas­sen aan nieu­we inzich­ten op zowel inhou­de­lijk als op ten­toon­stel­lings­tech­nisch gebied. Een goed voor­beeld van een muse­um die een der­ge­lij­ke aan­pak toe­past is het Mari­tiem Muse­um Rot­ter­dam. Het muse­um behan­deld de geschie­de­nis, actu­a­li­teit en toe­komst van mari­tiem Neder­land met daar­in een bij­zon­der posi­tie voor de wereld­ha­ven Rot­ter­dam22. Voor­beel­den van sub thema’s zijn de scheeps­bouw, de Rot­ter­dam­se haven en de rede­rij23.

Tijdelijke of wisselende tentoonstellingen

Dit type ten­toon­stel­lin­gen komt bij zo goed als alle erf­goed­in­stel­lin­gen voor. Musea, archie­ven, bezoe­kers– en sci­en­ce-cen­ters pro­be­ren met tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen, ook wel wis­sel­ten­toon­stel­lin­gen genoemd, actu­e­le onder­wer­pen aan de orde te stel­len en steeds opnieuw bezoe­kers te trek­ken. De loop­tijd vari­eert van één of enke­le dagen bij ten­toon­stel­lin­gen die aan­slui­ten bij een eve­ne­ment, jubi­le­um of her­den­king, tot ca. 6 maan­den. Tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen die lan­ger dan een jaar staan komen wei­nig voor. Het orga­ni­se­ren van tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen is aldus Van Mensch opge­ko­men in de loop van de 19e eeuw in rela­tie tot de ster­ke groei in die peri­o­de van de muse­a­le col­lec­ties. Hij spreekt in dit ver­band van de opkomst van het bi-par­ti­te muse­um model; het model zoals dat nu in de mees­te musea voor­komt waar­bij een selec­tie van de col­lec­tie ten­toon gesteld wordt in een per­ma­nen­te opstel­ling en het meren­deel van de col­lec­tie wordt opge­sla­gen in depots. In aan­slui­ting op deze ont­wik­ke­ling begon­nen musea van­uit deze opge­sla­gen col­lec­tie ook tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen te orga­ni­se­ren.24

Opval­lend is dat tegen­woor­dig tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen niet altijd meer een direc­te rela­tie met de col­lec­tie van de instel­ling heb­ben in de zin dat men col­lec­tie­on­der­de­len onder de aan­dacht wil bren­gen die niet onder­ge­bracht kun­nen wor­den in de per­ma­nen­te opstel­ling. Van­uit het ten­toon­stel­lings­be­leid, maar ook van­uit mar­ke­ting over­we­gin­gen wor­den vaak thema’s voor­ge­steld die wel­is­waar de mis­sie van het muse­um onder­steu­nen, maar waar de instel­ling geen eigen col­lec­tie van heeft. De toe­ne­men­de invloed van mar­ke­ting op het ten­toon­stel­lings­be­leid heeft ook tot gevolg dat het ten­toon­stel­lings­be­leid steeds meer gericht is op het trek­ken van gro­te aan­tal­len bezoe­kers. Als gevolg van de pri­va­ti­se­ring van veel erf­goed­in­stel­lin­gen is dat ook nood­zaak. De sub­si­die­ge­vers reke­nen in toe­ne­men­de mate instel­lin­gen af op hun bezoe­kers­aan­tal­len. Deze ont­wik­ke­ling heeft onder meer geleid tot een toe­na­me van het aan­tal zoge­naam­de block­bus­ters25. Dit zijn ten­toon­stel­lin­gen die groots zijn opge­zet en met behulp van inten­sie­ve pro­mo­tie­cam­pag­nes, vaak gecom­bi­neerd met een uit­ge­brei­de mer­chan­di­sing, gericht zijn op het trek­ken van gro­te aan­tal­len bezoe­kers. Om deze doel­stel­lin­gen te berei­ken wor­den over het alge­meen popu­lai­re thema’s inge­zet, die soms keer op keer terug­ko­men. Voor­beel­den zijn de Ver­meer-, Rem­brandt– en Van Gogh-ten­toon­stel­lin­gen. Ook keert de naam Picas­so regel­ma­tig in dit ver­band terug. De rei­zen­de Toe­tan­cha­mon-, en Da Vin­ci-ten­toon­stel­lin­gen zijn even­eens goe­de voor­beel­den van dit soort  money-makers, even­als ten­toon­stel­lin­gen over spec­ta­cu­lai­re onder­wer­pen als Bodies en het Ter­ra­cot­ta leger uit het Chi­ne­se Xi’an .

Ove­ri­gens zijn er cul­tu­re­le instel­lin­gen die geen eigen col­lec­tie heb­ben en alleen tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen pre­sen­te­ren. De ver­schil­len­de kunst­hal­len, maar ook gale­rie­ën zijn hier voor­beel­den van.

Reizende Tentoonstellingen

Er zijn ver­schil­len­de soor­ten rei­zen­de ten­toon­stel­lin­gen te onder­schei­den:

Systeem-tentoonstellingen

Een sys­teem-ten­toon­stel­ling is een ten­toon­stel­lin­gen die gemak­ke­lijk door één of enke­le per­so­nen in kor­te tijd zijn op te bou­wen en te demon­te­ren en een­vou­dig, vaak in een aan­tal dozen in een klei­ne bus zijn te trans­por­te­ren. Het gaat hier voor­na­me­lijk om klei­ne­re ten­toon­stel­lin­gen die rei­zen tus­sen instel­lin­gen die zelf niet de capa­ci­teit heb­ben om ten­toon­stel­lin­gen te maken, zoals klei­ne­re bibli­o­the­ken en mili­eu-edu­ca­tie­ve bezoe­kers­cen­tra. Maat­schap­pe­lij­ke orga­ni­sa­ties met ide­ë­le doe­len zoals de mili­eu­be­we­ging of vluch­te­lin­gen­or­ga­ni­sa­ties ont­wik­ke­len ook vaak dit soort ten­toon­stel­lin­gen, meest­al met behulp van exter­ne des­kun­di­gen, om hun bood­schap bij een bre­der publiek onder de aan­dacht te bren­gen. Over het alge­meen gaat het hier om ten­toon­stel­lin­gen die voor­na­me­lijk bestaan uit grap­hics en wei­nig of zelfs hele­maal geen drie­di­men­si­o­na­le objec­ten tonen. Objec­ten met een muse­a­le waar­de wor­den in dit soort een­vou­di­ge ten­toon­stel­lin­gen van­uit kli­ma­to­lo­gi­sche over­we­gin­gen niet of nau­we­lijks opge­no­men.

Transportabele tentoonstellingen

Dit type ten­toon­stel­ling vormt een rela­tief recent feno­meen. Het gaat hier om ten­toon­stel­lin­gen die in samen­wer­king tus­sen een aan­tal cul­tu­re­le instel­lin­gen, meest­al musea, gemaakt wor­den en ver­vol­gens tus­sen deze instel­lin­gen rei­zen. In tegen­stel­ling tot sys­teem-ten­toon­stel­lin­gen gaat hier over het alge­meen om gro­te­re ten­toon­stel­lin­gen die door een team van spe­ci­a­lis­ten opge­bouwd en afge­bro­ken wor­den, waar­bij de ten­toon­stel­lings­meu­bels vaak als geheel in gro­ter trans­port­con­tai­ners wor­den ver­voerd. Objec­ten rei­zen mee de hele wereld over dank­zij moder­ne tech­nie­ken . De in het vori­ge hoofd­stuk genoem­de Toe­tan­cha­mon ten­toon­stel­ling is hier een voor­beeld van. Ove­ri­gens wor­den trans­por­ta­be­le ten­toon­stel­lin­gen niet alleen in con­tai­ners ver­voerd. Bij voor­beeld ont­wik­kel­de de Swe­dish Tra­vel­ling Exhi­bi­ti­ons (Rik­sutställ­nin­gar) een aan­tal ten­toon­stel­lin­gen die ver­voerd wer­den in trei­nen en sche­pen.

Niet alleen de toe­na­me van tech­ni­sche moge­lijk­he­den doen dit feno­meen toe­ne­men, ook de toe­ne­men­de bezui­ni­gin­gen waar de cul­tu­re­le instel­lin­gen in de laat­ste decen­nia mee gecon­fron­teerd zijn, heb­ben er toe bij­ge­dra­gen dat steeds meer instel­lin­gen met elkaar zijn gaan samen­wer­ken bij het ont­wik­ke­len en exploi­te­ren van ten­toon­stel­lin­gen. Daar­bij komt dat het maken van moder­ne, een breed publiek aan­spre­ken­de ten­toon­stel­ling, met veel high­tech pre­sen­ta­ties en/of hoog­waar­di­ge col­lec­ties een steeds kost­baar­de­re aan­ge­le­gen­heid is gewor­den; een aan­ge­le­gen­heid die steeds min­der instel­lin­gen zelf­stan­dig kun­nen finan­cie­ren en uit­voe­ren.

Trans­por­ta­be­le ten­toon­stel­lin­gen kun­nen op ver­schil­len­de manie­ren tot stand komen:

  • Het geza­men­lijk ont­wer­pen en tot stand bren­gen van de ten­toon­stel­ling: Een goed voor­beeld hier­van is de ten­toon­stel­ling The Mys­te­rious Bog peo­p­le. Deze ten­toon­stel­ling kwam in het begin van de 21e eeuw tot stand op ini­ti­a­tief van het Drents Muse­um uit Assen in een samen­wer­king tus­sen het Cana­di­an Muse­um of Civi­li­za­ti­on, het Nie­dersäch­si­schen Lan­des­mu­se­um en het Glen­bow Muse­um uit Cana­da. Voor het samen­stel­len van de ten­toon­stel­ling werd een apar­te web­si­te opge­zet. Na tus­sen de samen­stel­len­de instel­lin­gen gereisd te heb­ben, wordt de ten­toon­stel­ling nu op ver­huur­ba­sis in ver­schil­len­de ande­re instel­lin­gen getoond. Op gele­gen­heids­ba­sis komen dit soort samen­wer­king steeds meer voor, vaak tus­sen instel­lin­gen met ver­ge­lijk­ba­re col­lec­ties, zoals natuur­his­to­ri­sche en vol­ken­kun­di­ge musea.
  • Eén instel­ling die de ten­toon­stel­ling pro­du­ceert en daar­na doorstuurt/verhuurt aan ande­re instel­lin­gen: Hoe­wel dit ook op gele­gen­heids­ba­sis voor komt zijn er ver­schil­len­de instel­lin­gen die dit op regu­lie­re basis doen en daar zelfs apar­te afde­lin­gen voor heb­ben. Voor­beel­den hier­van zijn het Victo­ria and Albert Muse­um (V&A Tou­ring Exhi­bi­ti­ons), The Natu­ral His­to­ry Muse­um uit Lon­den, het Musée de la Civi­li­sa­ti­on uit Que­bec, het Smithso­ni­an uit Wahing­ton DC en het Cin­cin­na­ti Muse­umUSA. Een bij­zon­der insti­tuut in dit ver­band is Swe­dish Tra­vel­ling Exhi­bi­ti­ons (Rik­sutställ­nin­gar). Dit insti­tuut werd in de 1965 opge­richt om mid­dels rei­zen­de ten­toon­stel­lin­gen kunst uit de gro­te­re en nati­o­na­le musea die voor­al in Stock­holm gecon­cen­treerd zijn voor een breed publiek in geheel Zwe­den toe­gan­ke­lijk te maken. In de afge­lo­pen 40 jaar heeft het insti­tuut zich ont­wik­keld tot één van de groot­ste pro­du­cen­ten van rei­zen­de ten­toon­stel­lin­gen in wereld. In deze peri­o­de wer­den meer dan 1200 gro­te­re en klei­ne­re ten­toon­stel­lin­gen gepro­du­ceerd waar­van een deel niet alleen door Zwe­den heeft gereisd, maar ook door Euro­pa. Het opbou­wen en delen van ken­nis op ten­toos­tel­lings­ge­bied is hier­bij één van de speer­pun­ten gewor­den, het­geen zich ook weer­spie­gelt in de nieu­we mis­sie van Rik­sutställ­nin­gar.

Our new mis­si­on aim to devel­op the exhi­bi­ti­on media throug­hout the coun­try so that visi­tors can meet exhi­bi­ti­ons of high qua­li­ty. Here­af­ter the work will be done both with, by and also for tho­se who work pro­fes­si­o­nal­ly within the exhi­bi­ti­on field — in short, in col­la­bo­ra­ti­on and based on actu­al needs.”

De samen­wer­king tus­sen instel­lin­gen kan ook op beschei­de­ner niveau tot stand komen waar­bij ten­toon­stel­lin­gen niet als geheel wor­den getrans­por­teerd, maar alleen de col­lec­tie of het con­cept van de ten­toon­stel­ling. In fei­te vindt de samen­wer­king in deze geval­len voor­na­me­lijk op inhou­de­lijk vlak plaats en niet op het vlak van het ont­wer­pen en bou­wen van de ten­toon­stel­ling.

Object– en informatiegerichte tentoonstellingen

Zoals hier­bo­ven is gesteld, spe­len de mate­ri­ë­le getui­ge­nis­sen van de mens en zijn omge­ving of anders gezegd authen­tie­ke mate­ri­ë­le en imma­te­ri­ë­le objec­ten een cen­tra­le rol bij ten­toon­stel­lin­gen.

Objec­ten in een muse­a­le con­text zijn gese­lec­teerd (gecol­lec­ti­o­neerd) omdat ze van waar­de zijn. Een object is van waar­de eigen­lijk door de con­text die is ver­bon­den met dat object. In de erf­goed the­o­rie wordt dit Sig­ni­fi­can­ce genoemd. Een object is niet sim­pel­weg waar­de­vol of waar­de­loos maar kan van­uit meer­de­re per­spec­tie­ven waar­de­vol zijn. Zo kan een object waar­de­vol zijn omdat het het eni­ge nog bestaan­de exem­plaar is, het een sym­bo­li­sche waar­de heeft omdat het een rol heeft gespeeld tij­dens een his­to­risch belang­rij­ke gebeu­renis. Een metho­de voor het vast­stel­len van deze ver­schil­len­de waar­den kan wor­den gedaan met het Sig­ni­fi­can­ce Assess­ment Model (SAM) ont­wik­keld door de CAN.

Een ten­toon­stel­ling­ma­ker plaatst de objec­ten zijn in een ten­toon­stel­ling in een begrij­pe­lij­ke samen­hang waar­bij een of meer­de­re bete­ke­nis­la­gen dui­de­lijk wordt.

Ten­toon­stel­lin­gen waar­bij de bete­ke­nis­laag cen­traal staat die op een direc­te manier af te lezen is van het object, zoals een esthe­ti­sche waar­de, noe­men we object­ge­rich­te ten­toon­stel­lin­gen. Hier staan de objec­ten cen­traal en wor­den ze geïn­ter­pre­teerd.26.  Ten­toon­stel­lin­gen waar geko­zen is voor ande­re bete­ke­nis­la­gen zoals de his­to­ri­sche of sym­bo­li­sche stel­len de con­text cen­traal. Hier wor­den de objec­ten let­ter­lijk de infor­ma­tie­dra­gers, of naar ana­lo­gie van het toneel: acteurs in het ver­haal.

Bei­de typen slui­ten elkaar niet uit. Eer­der is er spra­ke van een glij­den­de schaal met wei­nig voor­ko­men­de extre­men aan bei­de zij­den. Zie ook het sche­ma Object- en infor­ma­tie­ge­rich­te ten­toon­stel­lin­gen.

Schema: Object- en informatiegerichte tentoonstellingen (auteur Han Meeter)

Sche­ma: Object- en infor­ma­tie­ge­rich­te ten­toon­stel­lin­gen (auteur Han Mee­ter)

Hele­maal links is er geen spra­ke van eni­ge infor­ma­tie over­dracht en wor­den er alleen objec­ten getoond. De voor­wer­pen staan zon­der eni­ge toe­lich­ting of orde­ning opge­steld. In fei­te is er meer spra­ke van een uit­stal­ling dan van een ten­toon­stel­ling. Het dichts bij deze vorm komen eta­la­ges, hoe­wel hier door orde­ning en/of kor­te tek­sten met pro­duct­aan­dui­ding en prijs meest­al op een ele­men­tair niveau spra­ke is van infor­ma­tie­over­dracht. In het cul­tu­re­le veld treft men object­ge­rich­te ten­toon­stel­lin­gen voor­al aan in kunst­mu­sea en in som­mi­ge meer tra­di­ti­o­ne­le his­to­ri­sche en weten­schaps­mu­sea. In fei­te, vaak impli­ciet, stelt de samen­stel­ler een esthe­ti­sche en/of meer weten­schap­pe­lij­ke bena­de­ring cen­traal, zon­der bij­zon­de­re aan­dacht te geven aan het over­dra­gen van ach­ter­grond­in­for­ma­tie ten behoe­ve van een niet in het onder­werp inge­wijd publiek. Deze infor­ma­tie wordt vaak wel elders gege­ven, bij­voor­beeld in een cata­lo­gus of op een web­si­te.

Geheel rechts in boven­staan­de illu­stra­tie staat infor­ma­tie­over­dracht cen­traal. Objec­ten wor­den niet of nau­we­lijks getoond of zijn in ieder geval onder­ge­schikt aan het ver­haal. Met behulp van vaak spec­ta­cu­lai­re, op bele­ving en/of gaming gerich­te inter­ac­tie­ve pre­sen­ta­ties, aan­ge­vuld met mul­ti­me­di­a­le en audio­vi­su­e­le programma’s wordt de inhou­de­lij­ke infor­ma­tie over­ge­bracht. Beken­de tus­sen­vor­men zijn:

  • objec­ten die rond een the­ma zijn geor­dend, bij­voor­beeld alleen een bord­je Picas­so bij de ingang van de ten­toon­stel­lings­zaal met ver­vol­gens een aan­tal kunst­wer­ken van deze kun­ste­naar zon­der ver­de­re toe­lich­ting;
  • het tonen van alleen voor­wer­pen met daar­naast een klein bord­je met object-infor­ma­tie, zoals titel, maker, for­ma­ten, mate­ri­aal en datum.
  • ten­toon­stel­lin­gen van instel­lin­gen die zowel van­uit een col­lec­tie als van­uit een ver­haal wer­ken, zoals his­to­ri­sche, natuur­his­to­ri­sche, vol­ken­kun­di­ge en tech­ni­sche musea. Om het ver­haal over te bren­gen maakt de samen­stel­ler van de ten­toon­stel­ling niet alleen gebruik van objec­ten, maar van aller­lei aan de ten­toon­stel­lings­tech­ni­sche hulp­mid­de­len als de 2– en 3‑dimensionale vorm­ge­ving, ver­lich­ting, con­text– en expe­rien­ce gerich­te pre­sen­ta­ties, geu­ren, gelui­den, tek­sten en audio­vi­su­e­le, mul­ti­me­di­a­le en inter­ac­tie­ve media. Van­af ca. 40% van de mid­del­lijn in illu­stra­tie 4 zou men kun­nen spre­ken van meer infor­ma­tie-gerich­te ten­toon­stel­lin­gen.

Stands kun­nen in dit sche­ma rechts van het mid­den geplaatst wor­den. Onder de aan­dacht te bren­gen pro­duc­ten, het kan hier ove­ri­gens ook gaan om  dien­sten, wor­den als objec­ten getoond. Maar het gaat daar­bij vaak niet alleen om het laten zien van het pro­duct als zoda­nig en/of de direc­te ver­koop daar­van. Stands maken deel uit van de com­mu­ni­ca­tie­stra­te­gie van een bedrijf die met de stand vaak indi­rect wil bij­dra­gen aan het ver­ho­gen van de ver­koop­cij­fers. Naast het leg­gen van con­tac­ten met poten­ti­ë­le nieu­we klan­ten en het ver­ster­ken van ban­den met reeds bestaan­de, gaat het hier vaak veel meer om ima­go-buil­ding en bran­ding. De beman­ning van de stand speelt een essen­ti­ë­le rol in dit com­mu­ni­ca­tie pro­ces.

De schaal in boven­staan­de illu­stra­tie houdt geen waar­de­oor­deel in, met ander wor­den dat een sterk object­ge­rich­te ten­toon­stel­ling een slech­te­re ten­toon­stel­ling zou zijn dan infor­ma­tie­ge­rich­te ten­toon­stel­ling. Waar het om gaat, is dat een bewus­te keu­ze gemaakt wordt, afhan­ke­lijk van de doel­stel­lin­gen die men bij de doel­groep wil berei­ken.

Betrokken disciplines

Uit de inlei­ding over pro­ject­ma­na­ge­ment in aan­ge­ge­ven dat het orga­ni­se­ren van een ten­toon­stel­ling een inter­dis­ci­pli­nai­re acti­vi­teit is. Wel­ke dis­ci­pli­nes hier­bij een rol spe­len en wat hun bete­ke­nis en plaats in het orga­ni­sa­tie-pro­ces is, is aan­ge­ge­ven in de illu­stra­tie Dis­ci­pli­nes in ten­toon­stel­lin­gen.

Schema: Disciplines in tentoonstellingen (auteur Han Meeter)

Sche­ma: Dis­ci­pli­nes in ten­toon­stel­lin­gen (auteur Han Mee­ter)

De kerndisciplines

Het ini­ti­a­tief tot een ten­toon­stel­ling kan van­uit vele over­we­gin­gen geno­men wor­den. Soms is het heb­ben van een nieu­we col­lec­tie een aan­lei­ding, vaak het heb­ben van een idee. Ide­a­li­ter wor­den de thema’s van­uit het alge­meen beleid aan­ge­dra­gen. Onge­acht of er een the­ma bij een col­lec­tie, dan wel een col­lec­tie bij een the­ma gezocht moet wor­den, er zal eerst inhou­de­lijk onder­zoek naar het the­ma of de col­lec­tie gedaan moe­ten wor­den (de aca­de­mi­sche dis­ci­pli­ne). De aldus ver­kre­gen infor­ma­tie kan nu op ver­schil­len­de manie­ren over­ge­bracht wor­den. Men kan de objec­ten b.v. op een plank of in een vitri­ne zet­ten en als con­ser­va­tor met de bezoe­kers er langs lopen, onder­wijl het ver­haal ver­tel­lend; kort­om, de klas­sie­ke rond­lei­ding. Veel­al kost dit, afge­zien van ande­re bezwa­ren, de con­ser­va­tor te veel tijd en zeker bij gro­te­re aan­tal­len bezoe­kers wordt het al gauw onmo­ge­lijk. De con­ser­va­tor kan zijn ver­haal dan ver­van­gen door tek­sten bij het ten­toon­ge­stel­de te plaat­sen.

Ook deze metho­de kent ech­ter bezwa­ren:

  • Er wordt van de bezoe­ker een gro­te inspan­ning gevraagd om, vaak staan­de, de min of meer for­se hoe­veel­he­den tekst te lezen. Veel bezoe­kers haken dan ook vroeg­tij­dig af en lezen slechts hier en daar een tekst. Van infor­ma­tie over­dracht is nog maar ten dele spra­ke.
  • Voor­al als de tekst gro­te­re omvang aan­neemt, kan deze het ten­toon­ge­stel­de con­cur­ren­tie gaan aan­doen. De objec­ten kun­nen zo onbe­doeld gere­du­ceerd wor­den tot illu­stra­ties in een open­ge­sla­gen boek.

Ten­ein­de het ver­haal en de objec­ten in hun onder­ling ver­band toch over te kun­nen bren­gen, moet naar ande­re, ten­toon­stel­lings-geëi­gen­de com­mu­ni­ca­tie­me­tho­den omge­zien wor­den. De dis­ci­pli­nes com­mu­ni­ca­tie27 en ontwerp/vormgeving komen de ten­toon­stel­lings­ma­ker hier­bij te hulp. Deze dis­ci­pli­nes moe­ten hier­bij niet los van elkaar gezien wor­den. Bin­nen het ten­toon­stel­lings­pro­ces wor­den zij geïn­te­greerd toe­ge­past. Met ande­re woor­den, de vorm­ge­ving moet erop gericht zijn de objecten/het ver­haal zoda­nig te pre­sen­te­ren dat de infor­ma­tie op een zo visu­eel moge­lij­ke wij­ze wordt over­ge­bracht. Men zou kun­nen spre­ken van com­mu­ni­ca­tie­ve vorm­ge­ving. Uiter­aard heb­ben de dis­ci­pli­nes com­mu­ni­ca­tie en vorm­ge­ving ook hun eigen bete­ke­nis bin­nen het ten­toon­stel­lings­pro­ces. Com­mu­ni­ca­tie bij­voor­beeld voor het vast­stel­len en inschat­ten van de doel­groep, het vast­stel­len van de doel­stel­lin­gen, het ver­ta­len van de inhou­de­lij­ke gege­vens op een ten­toon­stel­lings­tech­ni­sche wij­ze naar de doel­groep toe. Ontwerp/vormgeving voor wat betreft bij­voor­beeld ergo­no­mie, typo­gra­fie, kleu­ren­leer etc.

De aca­de­mi­sche, com­mu­ni­ca­tie­ve en ont­wer­p/­vorm­ge­vings-tech­ni­sche dis­ci­pli­nes die  in illu­stra­tie Dis­ci­pli­nes in het vier­kant rechts­bo­ven zijn weer­ge­ge­ven vor­men de kern­dis­ci­pli­nes in het ten­toon­stel­lings­pro­ces. Zij bepa­len de inhoud en zor­gen er voor dat deze bewerkt wordt voor de doel­groep. Met ande­re woor­den de ten­toon­stel­ling wordt gevormd door de com­mu­ni­ca­tie­ve vorm­ge­ving van de inhoud (con­tent).

Voorwaardenscheppende disciplines

Naast de kern­dis­ci­pli­nes spe­len een aan­tal ande­re dis­ci­pli­nes een belang­rij­ke rol bij de tot­stand­ko­ming van een ten­toon­stel­ling. Zij vor­men als het ware een voor­waar­den­schep­pend kader waar­bin­nen de kern­dis­ci­pli­nes zich moe­ten bewe­gen. Het betreft:

Conservering

Deze dis­ci­pli­ne speelt voor­al bin­nen erf­goed ten­toon­stel­lin­gen een belang­rij­ke, zo niet door­slag­ge­ven­de rol. Immers het behou­den van erf­goed gaat boven het pre­sen­te­ren daar­van. Men zou kun­nen spre­ken van “Con­ser­ve­rings-eisen ver­sus pre­sen­ta­tie-wen­sen”. De con­ser­ve­rings­dis­ci­pli­ne houdt zich zowel bezig met de ruim­te­lij­ke aspec­ten van het behou­den van objec­ten (pre­ven­tie­ve con­ser­ve­ring) als met het behou­den van de objec­ten zelf (actie­ve con­ser­ve­ring).

Technische vakken

Het gaat hier om vak­ken als ten­toon­stel­lings­bouw, het maken van audio­vi­su­e­le en mul­ti­me­di­a­le programma’s, com­pu­ter-pro­gram­me­ring, foto­gra­fie, etc. Deze dis­ci­pli­nes vor­men in de meest let­ter­lij­ke zin een rand­voor­waar­de. Immers, men kan aller­lei ont­wer­pen beden­ken, maar als deze niet tech­nisch maak­baar zijn, zijn zij ook niet te rea­li­se­ren. Hier­bij dient opge­merkt dat bij de hui­di­ge stand van de tech­niek vrij­wel alles te maken is, zij het vaak tegen zeer hoge kos­ten. De bud­get­tai­re ruim­te speelt dan ook een belang­rij­ke rol bij wat maak­baar en haal­baar is.

Sociale wetenschappen

Deze zijn voor diver­se soor­ten publieks­on­der­zoek van belang:

  • Mar­ke­ting­on­der­zoek: Dit onder­zoek kan voor­af gaan aan het nemen van het ini­ti­a­tief tot een ten­toon­stel­lings­pro­ject. Met behulp van dit onder­zoek kan vast­ge­steld wor­den aan wat voor soort ten­toon­stel­lin­gen behoef­te is in de markt en/of een beurs­deel­na­me een geschikt medi­um is.
  • Front-end-onder­zoek: Dit type onder­zoek kan gedaan wor­den nadat het ini­ti­a­tief tot het pro­ject is geno­men en de doel­groep is vast­ge­steld. Front-end onder­zoek heeft tot doel meer detail­ge­ge­vens betref­fen­de de doel­groep en hoe zij tegen­over het the­ma van het pro­ject staan te ver­za­me­len, zodat dit opti­maal op de doel­groep kan wor­den afge­stemd.
  • For­ma­tief onder­zoek: Dit betreft onder­zoek dat uit­ge­voerd kan wor­den tij­dens het ont­wik­kel­pro­ces van een ten­toon­stel­ling. Het heeft tot doel om onder­de­len van de ten­toon­stel­ling in de vorm van proef­op­stel­lin­gen te toet­sen bij de doel­groep voor­dat zij daad­wer­ke­lijk in pro­duc­tie wor­den geno­men.
  • Sum­ma­tief onder­zoek: Deze vorm van onder­zoek wordt uit­ge­voerd tij­dens de open­stel­ling van de ten­toon­stel­ling. Het heeft onder meer tot doel om te onder­zoe­ken of de ten­toon­stel­ling daad­wer­ke­lijk aan de gestel­de doe­len vol­doet, of de inhoud vol­doen­de over komt en de doel­groe­pen bereikt wor­den.
  • Public-rela­ti­ons: Deze dis­ci­pli­ne ver­zorgt de pro­mo­tie van de ten­toon­stel­ling.

Sturende discipline

Ten­slot­te is er de stu­ren­de dis­ci­pli­ne in de vorm van Pro­ject­ma­na­ge­ment. Deze dis­ci­pli­ne zorgt er voor dat de acti­vi­tei­ten van de ove­ri­ge dis­ci­pli­nes op elkaar wor­den afge­stemd en dat het eind­pro­duct wordt gere­a­li­seerd bin­nen de daar­voor gestel­de uit­gangs­pun­ten in ter­men van geld, tijd en kwa­li­teit. Ook mana­ged en moni­to­red deze dis­ci­pli­ne de orga­ni­sa­tie van en infor­ma­tie­ver­zor­ging bin­nen het pro­ject. Zie hoofd­stuk over pro­ject­ma­na­ge­ment voor ver­de­re inlei­din­gen op deze vijf te mana­gen aspec­ten van pro­ject­ma­na­ge­ment.

Functionarissen

Al deze dis­ci­pli­nes zijn ver­taal­baar in func­ti­o­na­ris­sen. Bin­nen een muse­a­le con­text komt de vol­gen­de ver­de­ling vaak voor:

  • Inhou­de­lijk onder­zoek: de con­ser­va­tor (soms een gast­con­ser­va­tor of cura­tor)
  • Com­mu­ni­ca­tie: een mede­wer­ker pre­sen­ta­tie en/of edu­ca­tie
  • Ontwerp/vormgeving: een vorm­ge­ver (meest­al extern inge­huurd)
  • Con­ser­ve­ring: soms een apar­te col­lec­tie­be­heer­der, anders de con­ser­va­tor
  • Tech­ni­sche zaken: de tech­ni­sche staf
  • Public-rela­ti­ons: bij de gro­te­re instel­lin­gen een apar­te mede­wer­ker of zelf afde­ling mar­ke­ting of com­mu­ni­ca­tie, anders een edu­ca­tief mede­wer­ker
  • Publieks­ge­richt onder­zoek: vaak extern, soms een mede­wer­ker  van de afde­ling pre­sen­ta­tie en/of edu­ca­tie en/of mar­ke­ting
  • Pro­ject­ma­na­ge­ment: soms een apar­te pro­ject­lei­der of coör­di­na­tor vaak de con­ser­va­tor of een edu­ca­tief mede­wer­ker

Uit het boven­staan­de blijkt dat het orga­ni­se­ren van een ten­toon­stel­ling team­werk is. Hier­bij is het niet steeds nodig een ver­te­gen­woor­di­ger van elke dis­ci­pli­ne in het pro­ject­team op te nemen. Over het alge­meen zal een team bij een cul­tu­re­le ten­toon­stel­ling bestaan uit een con­ser­va­tor, een mede­wer­ker van de afde­ling pre­sen­ta­tie en/of edu­ca­tie en een vorm­ge­ver, even­tu­eel aan­ge­vuld met een apar­te pro­ject­lei­der. De ove­ri­ge dis­ci­pli­nes wor­den steeds daar in het pro­ject-over­leg betrok­ken waar dat nodig is.

Hoe een der­ge­lijk team zal wor­den samen­ge­steld zal onder meer afhan­gen van:

  • De per­so­ne­le moge­lijk­he­den van de betref­fen­de instel­ling: In klei­ne musea zal vaak één per­soon al de taken moe­ten uit­voe­ren, over het alge­meen met steun van vrij­wil­li­gers. In een mid­del­groot muse­um, is vaak wel een inhou­de­lijk mede­wer­ker, een klei­ne tech­ni­sche staf en soms ook een edu­ca­tief mede­wer­ker aan­we­zig. Zij zul­len de taken onder­ling moe­ten ver­de­len. Alleen de gro­te musea beschik­ken over gespe­ci­a­li­seerd per­so­neel voor elke dis­ci­pli­ne.
  • De orga­ni­sa­tie en cul­tuur bin­nen de instel­ling: In veel musea is het tra­di­ti­o­neel de taak van de con­ser­va­tor het hele orga­ni­sa­tie­pro­ces voor zijn reke­ning te nemen.
  • De bud­get­tai­re moge­lijk­he­den: Het gaat hier om de moge­lijk­he­den om voor één van de genoem­de dis­ci­pli­nes een des­kun­di­ge aan te trek­ken, bij­voor­beeld een vorm­ge­ver.

In de com­mer­ci­ë­le wereld wor­den ten­toon­stel­lin­gen over het alge­meen in opdracht van een afde­ling com­mu­ni­ca­tie van een bedrijf geor­ga­ni­seerd door een daar­toe gespe­ci­a­li­seerd bedrijf. Het kan hier gaan om een ont­werp­bu­reau of een ten­toon­stel­lings­bouw­be­drijf met een ont­werp­af­de­ling. Ook hier betreft het team­werk. Naast de opdracht­ge­ver die meest­al de inhoud aan­le­vert, maakt een ont­wer­per, bij een ten­toon­stel­lings­bouw­be­drij­ven meest­al intern, en een pro­ject­ma­na­ger, meest­al van het bouw­be­drijf, deel uit van het team. Deze stuurt ook de tech­ni­sche staf van het bouw­be­drijf aan. Voor wat betreft de inhoud dient opge­merkt te wor­den dat deze meren­deel min­der diep­gaand is en niet van weten­schap­pe­lij­ke aard. Gro­te­re stand­bouw­be­drij­ven zet­ten vaak ook een account mana­ger inge­zet die, naast het wer­ven van pro­jec­ten, zorg draagt voor de rela­tie met klant. De com­mu­ni­ca­tie­ve dis­ci­pli­ne wordt over het alge­meen mee­ge­no­men in het werk van de ont­wer­per. Indien er publieks­on­der­zoek wordt uit­ge­voerd, wordt dit over het alge­meen als extra extern inge­huurd. De public rela­ti­ons wor­den, mede in het licht dat dit een spe­ci­a­lis­me is van dege­nen die namens de opdracht­ge­ver bij het ont­wik­ke­len van de stand zijn betrok­ke­nen en de stand deel uit­maakt van de tota­le com­mu­ni­ca­tie van het bedrijf, door de opdracht­ge­ver zelf gedaan. De con­ser­ve­rings­dis­ci­pli­ne speelt nor­ma­li­ter geen rol bij stand­bouw.

  1. (Hjorth, J., EXHIBITIONS ! The natu­re of exhi­bi­ti­ons. What are they and could they be bet­ter ? The Swe­dish tra­vel­ling exhi­bi­ti­ons expe­rien­ce; the­sis for the Licen­ti­a­te Degree. pag. 30e.v.)
  2. Omdat ten­toon­stel­lin­gen zich niet alleen in bin­nen­ruim­te afspe­len, maar ook in een bui­ten­ruim­ten (bij­voor­beeld een beel­den­tuin) wordt het begrip gebouw­de omge­ving hier ruim opge­vat. Het gaat hier om ruim­te­lijk­heid, opge­vat als zowel bin­nen– als bui­ten­ruim­ten die een her­ken­ba­re afba­ke­ning heb­ben. Ove­ri­gens hoeft deze afba­ke­ning / deze gren­zen niet altijd waar­neem­baar te zijn. Bij­voor­beeld open­lucht­mu­sea of his­to­ri­sche par­ken zijn door hun aard en uit­stra­ling voor de bezoe­ker wel als een samen­han­gend geheel her­ken­baar, maar niet over­zien­baar. Het­zelf­de geldt ove­ri­gens ook voor gro­te gebou­wen zoals het Lou­vre.)
  3. Lorenc, J., e.a., What is exhi­bi­ti­on design, pag.6–9)
  4. Zie bij­voor­beeld de bij­dra­ge van Erik Hoe­ber­gen aan het hoofd­stuk over stand­bouw in Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving waar­in hij het ont­werp­bu­reau Totems Com­mu­ni­ca­ti­on omschrijft als gespe­ci­a­li­seerd in “…analy­se, con­cept, design en mana­ge­ment van 3D com­mu­ni­ca­tie­pro­jec­ten” (Jans­sen, D., e.a. (red.) Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving (Eind­ho­ven 2002), pag. 144. Ook de bij­dra­ge van Louk de Sevaux in dezelf­de publi­ca­tie bena­drukt dit aspect van ruim­te­lij­ke com­mu­ni­ca­tie in de bij­dra­ge “Retail: Ruim­te­lij­ke com­mu­ni­ca­tie” (Idem, 155))
  5. Lord, B., Dex­ter Lord, G. (ed.) The Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons (Wal­nut Creek 2002). pag. 18–19
  6. De Frans Hals­prijs voor ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving werd eind 80er jaren door het Frans Hals­mu­se­um enke­le keren uit­ge­reikt aan ont­wer­pers van ten­toon­stel­lin­gen die ver­nieu­wen­de waren vorm­ge­ge­ven)
  7. Jans­sen, D., e.a. (red.) Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving (Eind­ho­ven 2002), pag.5.
  8. Koss­mann H, Jong de, M, Engan­ging Spa­ces: Exhi­bi­ti­on Design Explo­red, (Amster­dam 2010) pag.7.
  9. Jans­sen, D., e.a. (red.) Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving (Eind­ho­ven 2002), pag.5.
  10. Lorenc, J., e.a., What is Exhi­bi­ti­on Design, pag.6–9
  11. Jans­sen, D., e.a. (red.) Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving (Eind­ho­ven 2002), pag.5.
  12. Zie noot 2 over de gebouw­de omge­ving
  13. H. Fer­ree red., Groot prak­tijk­boek voor effec­tie­ve com­mu­ni­ca­tie, (Deventer/Antwerpen z.j.) pag.13–15
  14. Van­uit deze visie zijn de digi­ta­le of vir­tu­e­le ten­toon­stel­lin­gen die in het laat­ste decen­ni­um met de opkomst van e‑cultuur steeds meer op web­si­tes van erf­goed­in­stel­lin­gen zijn te vin­den geen ech­te ten­toon­stel­lin­gen. Eer­der lij­ken zij op een moder­ne vari­ant van de cata­lo­gus waar­in de bezoe­ker vir­tu­eel een in meer of min­de­re mate digi­taal nage­bouw­de ten­toon­stel­lings­ruim­te kan bezoe­ken en daar door op objec­ten te klik­ken meer infor­ma­tie over deze objec­ten kan krij­gen. Ove­ri­gens vor­men de digi­ta­le of vir­tu­e­le ten­toon­stel­lin­gen daar­mee een inte­res­sant aan­vul­ling op de manie­ren waar­op instel­lin­gen hun bezoe­kers kun­nen infor­me­ren en zijn in die zin belang­rij­ke aan­vul­lin­gen op tentoonstellingsprogramma’s.
  15. Ook Lord wijst er op dat de inhe­ren­te waar­de van muse­a­le ten­toon­stel­lin­gen voor een belang­rijk deel is inge­ge­ven door het feit dat hier zaken te zien zijn die door de bezoe­ker als authen­tiek wor­den beschouwd. Hij plaatst dit in de con­text van het secu­la­ri­sa­tie van de samen­le­ving, waar­bij musea en monu­men­ten door het tonen van authen­tie­ke objec­ten een nieuw soort weten­schap­pe­lij­ke betrouw­baar­heid bie­den en daar­mee samen­han­gen­de bete­ke­nis­ge­ving. Hij spreekt in dit ver­band van een trans­for­ma­ti­ve expe­rien­ce (Lord, B., Dex­ter Lord, G. (ed.) The Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons (Wal­nut Creek 2002). pag.16).
  16. Zie ook Mensch van, P, Jaar­boek Neder­lands Open­lucht­mu­se­um 1999 (Nijmegen/Arnhem 1999)
  17. Ove­ri­gens maken ver­schil­len­de tech­no­lo­gi­sche ont­wik­ke­lin­gen zoals de opkomst van holo­gram­men en 3‑d film­tech­nie­ken het ook voor ande­re media steeds gemak­ke­lij­ker om bin­nen één beeld meer dan twee ver­ban­den te leg­gen.
  18. Lord, B., Dex­ter Lord, G. (ed.) The Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons (Wal­nut Creek 2002). pag.17–18
  19. Hoe­wel stands hier in een com­mer­ci­ë­le con­no­ta­tie wor­den geplaatst hoeft dit zeker niet altijd het geval te zijn. Jans­sen wijst er terecht op dat ook ide­ë­le stich­tin­gen, orga­ni­sa­ties en over­he­den zich pre­sen­te­ren op beur­zen mid­dels een stand, zoals bij­voor­beeld op de jaar­lijk­se onder­wijs­beurs (NOT). (Jans­sen, D., e.a. (red.) Ten­toon­stel­lings­vorm­ge­ving, pag.136.
  20. Ook Lord maakt in The Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons een onder­scheid tus­sen muse­a­le ten­toon­stel­lin­gen en beurs­stands. Hij wijst op de over­een­komst dat bei­de objec­ten en audio­vi­su­e­le beel­den tonen, als­me­de inter­ac­tie­ve erva­rin­gen ken­nen, maar dat een belang­rijk ver­schil is dat musea niet een pro­duct of dienst pro­be­ren te voor­ko­men. Bij musea staat juist het educatieve/entertainen meer cen­traal met als doel nieu­we inzich­ten (trans­for­ma­ti­ve expe­rien­ce) tot stand te bren­gen. (Lord, B., Dex­ter Lord, G. (ed.) The Manu­al of Muse­um Exhi­bi­ti­ons (Wal­nut Creek 2002). pag. 15–19)
  21. Muse­um Aktu­ell 2003 (92): 3980–3985)
  22. Jaar­ver­slag 2009 Mari­tiem Muse­um Rot­ter­dam
  23. Jaar­ver­slag 2009 Mari­tiem Muse­um Rot­ter­dam
  24. Van Mensch, P, Charac­te­ris­tics of Exhi­bi­ti­ons In: Muse­um Aktu­ell 2003 (92): 3980–3985, pag.6–7
  25. Block­bus­ter is een term uit de film­we­reld die wordt gebruikt om een film aan te dui­den met gro­te ster­ren in de hoofd­rol en waar­van ver­wacht wordt dat hij een fors bedrag bij de box-offi­ce zal opbren­gen. Het woord block­bus­ter stamt uit de peri­o­de van het Hol­ly­wood Stu­dio Sys­teem (1917–1947) dat werd geken­merkt door het kar­tel van de acht gro­te studio’s ofwel ‘Majors’ (Loews-MGM, Para­mount Publix, Fox Film Cor­po­ra­ti­on, War­ner Bros, RKO Pic­tu­res, Uni­ver­sal Pic­tu­res, Colum­bia Pic­tu­res en Uni­ted Artists). De acht studio’s waren ver­ti­caal geïn­te­greerd, ofwel in bezit van niet alleen de pro­duc­tie- en dis­tri­bu­tie­fa­ci­li­tei­ten, maar ook van eigen bios­coop­ke­tens. In deze peri­o­de wer­den films gemaakt en ver­huurd vol­gens een stel­sel van zoning en block boo­king. Bios­co­pen had­den bin­nen de geo­gra­fisch ver­deel­de ter­ri­to­ria van­we­ge de ver­ti­ca­le inte­gra­tie het alleen­recht op film­ver­to­nin­gen (zoning). De term block boo­king bete­kent dat bios­co­pen alleen films kon­den afne­men in ver­plich­te blok­ken van suc­ces­vol­le en min­der suc­ces­vol­le films, die opeen­vol­gend ver­toond moesten wor­den. De block bus­ter is een film die door zijn suc­ces afstak tegen de rest van de films uit het blok (het blok ‘door­brak’) en dus over een lan­ge­re peri­o­de bleef draai­en. Dit grens­be­drag om het finan­ci­eel suc­ces te bepa­len werd gaan­de­weg opge­schroefd, aan­ge­zien er steeds meer films in staat zijn deze grens te beha­len. Hield men het vroe­ger nog 100 mil­joen dol­lar, zo moest een block­bus­ter die naam waar­dig sedert 2000 meer dan 400 mil­joen dol­lar opha­len. Naast exac­te bedra­gen wordt ook wel gespro­ken over een block­bus­ter wan­neer de opbreng­sten de kos­ten van de film enorm over­tref­fen. (Wiki­pe­dia 23–3‑2011)
  26. Onder inter­pre­ta­tie wordt hier niet alleen ver­staan een mon­de­lin­ge of een schrif­te­lij­ke (ten­toon­stel­lings­tekst) toe­lich­ting, maar ook het gebruik van ten­toon­stel­lings­taal
  27. Het begrip com­mu­ni­ca­tie wordt in ver­schil­len­de bete­ke­nis­sen gebruikt. Vaak gaat het om de pro­mo­tie van een pro­duct die door de afde­ling com­mu­ni­ca­tie van een instel­ling wordt ver­zorgd. In dit ver­band wordt com­mu­ni­ca­tie breed opge­vat in de bete­ke­nis zoals ver­woord in de defi­ni­tie van Fer­ree. In deze opvat­ting is edu­ca­tie een vorm van Com­mu­ni­ca­tie die spe­ci­fiek op leren gerich­te com­mu­ni­ca­tie-pro­ces­sen is gericht.